De maag: start van de eiwitvertering
Na het kauwen komt het voer via de slokdarm in de maag terecht. Als de maag zich vult, wordt maagzuur geproduceerd. Hierdoor daalt de pH in de maag naar ongeveer 2 tot 4. In dit zure milieu wordt pepsine actief. Dit enzym speelt een belangrijke rol bij het afbreken van eiwitten.
Een goede werking van de maag is daarom belangrijk. De eiwitvertering die hier plaatsvindt, kan verderop in het maagdarmkanaal niet volledig worden ingehaald. Ook de snelheid waarmee de maag zich leegt speelt een rol. Wanneer de zure voedselbrij te lang in contact komt met het kwetsbare gedeelte bij de ingang van de maag, kan dit bijdragen aan het ontstaan van maagzweren.
De twaalfvingerige darm: enzymen aan het werk
Vanuit de maag komt de voedselbrij in de twaalfvingerige darm. Daar moet het sterk zure milieu uit de maag eerst worden geneutraliseerd. De alvleesklier produceert hiervoor natriumbicarbonaat, waardoor de pH weer stijgt.
De alvleesklier geeft daarnaast verschillende enzymen af die nodig zijn voor de verdere vertering van onder andere zetmeel en vet. Ook gal speelt hier een belangrijke rol. Gal helpt om vet in kleine druppeltjes te verdelen in de waterige voedselbrij. Daardoor kunnen enzymen het vet beter bereiken en afbreken.
De dunne darm: voedingsstoffen opnemen
In de dunne darm wordt de voedselbrij voortdurend gemengd en voortbewogen. Hier vindt een groot deel van de enzymatische vertering én de opname van voedingsstoffen plaats.
Voorin de dunne darm begint onder andere de opname van aminozuren, glucose en vetzuren. Verderop worden aanvullende enzymen afgegeven en kunnen steeds meer verteerde voedingsstoffen via de darmwand worden opgenomen. Via het bloed komen deze voedingsstoffen vervolgens beschikbaar voor bijvoorbeeld groei, onderhoud en andere lichaamsfuncties.
Hoe beter de vertering in de maag en dunne darm verloopt, hoe meer voedingsstoffen het varken uit het voer kan benutten.
De dikke darm: fermentatie door bacteriën
Wat niet in de dunne darm is verteerd en opgenomen, komt uiteindelijk in de dikke darm terecht. Hier speelt de darmflora een belangrijke rol. Bacteriën fermenteren onder andere koolhydraten die eerder niet zijn verteerd. Daarbij ontstaan vluchtige vetzuren, die via de darmwand kunnen worden opgenomen en als energiebron kunnen dienen.
Ook wordt in de dikke darm water aan de voedselbrij onttrokken, waardoor de mest wordt ingedikt.
Niet alle fermentatie is echter wenselijk. Wanneer de vertering eerder in het maagdarmkanaal onvoldoende verloopt, kunnen bijvoorbeeld onverteerde eiwitten in de dikke darm terechtkomen. Deze eiwitten worden daar door bacteriën gefermenteerd. Daarbij kunnen omstandigheden ontstaan waarin ongewenste bacteriën zich gemakkelijker ontwikkelen. Dat kan de darmgezondheid onder druk zetten.
Goede vertering begint bij goed voer
Alle onderdelen van het maagdarmkanaal werken nauw met elkaar samen. Wat in de maag gebeurt, heeft invloed op wat er verderop in de darm terechtkomt. Een goede eiwit-, zetmeel- en vetvertering helpt het varken om voedingsstoffen efficiënt te benutten en voorkomt dat te veel onverteerde voedingsstoffen de dikke darm bereiken.
Daarom draait een goed voer niet alleen om welke voedingsstoffen erin zitten, maar ook om hoe goed het varken deze voedingsstoffen kan verteren en benutten. De keuze van grondstoffen, de bewerking daarvan en de samenstelling van het voer spelen hierin allemaal een rol.